donderdag 25 september 2014

Hoe(zeer) ik een autovriend werd

Heel veel auto’s vorige week bij de school. Ik parkeerde de onze er nog bij. “Wat een gekkenwerk he”, zei een moeder toen ik uitstapte, “in de winter wordt het nog erger”. O jee, dacht ik. “Moet je met de fiets gaan!” riep een vader. “Ja, maar het is best ver”, antwoordde ik. En ik schaamde me. Het was nauwelijks verder dan de crèche van kleine jongen in Utrecht geweest was en toen was ik toch ook altijd gewoon op de fiets gestapt.

Groot verschil is echter dat ik er toen met de auto net zo lang over deed als met de fiets. Terwijl ik nu met de auto over de dijk scheur, geen enkel stoplicht tref en dus in vijf minuten bij de school sta. En dat is best handig als je ’s ochtends eerst nog een geit en bok moet buitenzetten, de kippen en poezen eten moet geven en kleine jongen liefst voor schooltijd bij zijn oppas in het dorp wil hebben.
Ik kan het niet meer ontkennen: uiteindelijk ben ook ik een automens geworden. Boodschappen doen? Auto mee. Even appels halen bij de appelboer in het dorp? Met de auto natuurlijk. Hardlooptraining? Auto… Ik pak nog net niet de auto om naar de brievenbus te rijden, maar verder is de auto opeens mijn beste vriend. En dat terwijl ik de auto vroeger haatte. En ik, nog veel erger, nu juist in een omgeving woon die prachtig is om doorheen te fietsen.
Gelukkig kon bezoekende bikkel zuslief het wel begrijpen. Na een fietstochtje naar de supermarkt en terug zei ze “zo hee, maar dit is niet even fietsen. Dit is meteen sport. Flinke wind op die dijk!!!” Precies, dacht ik, en zette de fiets terug in de garage. Aan sport doe ik tenslotte genoeg. Daar staat ‘ie te wachten tot het weer lekker warm en zonnig – echt fietsweer! – wordt. In de tussentijd ga ik maar gewoon fileparkeren bij school. Dat heb ik in Utrecht tenslotte nooit echt goed geleerd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten